Als we een dagje uit gaan naar Amsterdam of een weekend naar Limburg gaan met de auto, bereiden we ons meestal goed voor. We zorgen, dat we jas, portemonnee, fototoestel en eventueel paraplu bij ons hebben voor het geval dat. Ook wordt de auto nog even volgetankt, de wegenkaart mee en ons kan niets meer gebeuren. Als we een rit voor de boeg hebben van 250 km en onze auto rijdt 1 op 10, dan weten we, dat er minstens 25 liter brandstof in de tank moet zitten. Anders zal er onderweg getankt moeten worden. U zult wellicht denken; wat heeft dit eigenlijk met duivensport te maken? Nou, eigenlijk alles. Onze duiven worden ook elke week voorbereid op de vluchten. Op de Vitesse voeren we wat lichter en krapper dan op de Midfond en op de zware vluchten komen meestal de pinda’s voor de dag om duiven meer energie mee te geven. Maar geven we ze wel genoeg? Of we het goed doen is vaak een kwestie van gevoel. De betere liefhebbers weten uit ervaring wat hem of haar te doen staat. Toch blijft er dat onbehagelijke gevoel hangen van ”heb ik het wel goed gedaan?”. Wat gebeurt er als de wind draait? We willen tegenwoordig steeds meer informatie en de vraag is dan ook gerechtvaardigd: is er ook onderzoek gedaan naar de energiebehoefte van duiven op de vlucht? Wat moet ik duiven geven? Eiwitten, koolhydraten (suikers) of vetten? Wat is er eigenlijk allemaal over bekend?
Tot dusver is onderzoek in verschillende universiteiten gedaan. (o.a.Guelph Amerika en Gent België). Op dit moment lopen er interessante testen in Amerika met duiven, die met een zender op de rug uitgerust zijn. Vlak voor een vlucht wordt er een antenne in geschoven en via de satelliet zijn deze duiven te volgen. Het zal waarschijnlijk technisch mogelijk zijn om duiven tijdens een vlucht via internet te volgen. Vele interessante gegevens zullen daardoor in de nabije toekomst bekend worden. Dit staat nu echter nog in de kinderschoenen. Naar mijn mening zijn de zenders nu nog te zwaar om echt goede betrouwbare informatie te verkrijgen. We moeten het nu doen met die gegevens die nu al wel bekend zijn. Wel: de wetenschap heeft niet helemaal stil gezeten. Op de rijksuniversiteit te Gent werden duiven getest in windtunnels. De duiven werden “aangesloten” aan de benodigde apparatuur en vlogen als het ware tegen de luchtstroom in zonder daarbij een meter vooruit te komen. Door middel van een kapje over de snavel (zie foto) kon men aan de hand van de uitgeademde lucht vaststellen wat een duif precies verbruikt. Deze duiven hebben uiteraard eerst moeten leren vliegen in deze windtunnels.
De uitkomsten waren interessant. Het bleek, dat duiven gedurende de eerste 10 minuten praktisch al hun koolhydraat-voorraad verbruiken. Hiermee komt de duif op hoogte en op snelheid. Deze koolhydraten (glycogeen ofwel mono-sacharides) zijn opgeslagen in de z.g. witte spieren en zijn direct beschikbaar. Als deze koolhydraten op zijn, wordt gedurende +/- 50 minuten de vetten verbruikt, die zich nog in het lichaam (bloed) bevinden. Deze z.g. “bloedvetten” zijn nog onderweg naar de rode spiervezels van de duif, om daar te worden opgeslagen als vetreserve. Deze rode spiervezels bevatten +/- 97½% onverzadigde vetzuren. Dit is de brandstof voor onderweg. De “lichte bloedvetten” in het lichaam worden geproduceerd door o.a. koolhydraatrijke (en vetrijke) granen, die de laatste 3 voedingen zijn gevoerd. Als na 1 uur deze brandstof op is, wordt geleidelijk overgeschakeld op de vetreserves uit de rode spiervezels. Een duif verbruikt tijdens een vlucht 3 tot 3,6 gram vet per uur. Dit ligt aan de zwaarte van de vlucht en aan de duif zelf. Je hebt nu eenmaal bodybuilders en marathonlopers met hun dunne lange spieren. De laatste gaan wat zuiniger om met hun energie. Nu wij weten wat een duif precies per uur verbruikt, kunnen we, als we weten hoeveel vetten er in het voer zitten, uitrekenen wat een duif nodig heeft. Voorbeeld: stel uw duiven moeten mee naar Orleans en die vlucht schat u in op 6 uur vliegen voor uw duiven. Zoals reeds genoemd vliegen de duiven het eerste uur op brandstof uit kool-hydraten De laatste 5 uur worden de vetreserves aangesproken. Laten we een gemiddelde nemen van 3,5 gram per uur. De duiven hebben dan 5 x 3,5 gram = 17½ gram vet nodig. Als we weten hoe vetrijk ons voer is, kunnen we uitrekenen of dit voer energierijk genoeg is.
Stel we hebben een voer met een vetgehalte van 5%. We voerengemiddeld 200 gram voer per duif per week. Dan hebben we via het voer de duif 10 gram vetreserves meegegeven, hetgeen onvoldoende is voor deze vlucht. Hebben we een voer met een vetgehalte van 9% (=18gram vet) dan is dit toerijkend voor deze vlucht. Kreten als: dit voer heeft een ideaal vetgehalte zijn wat betrekkelijk. Natuurlijk kan ik een voer minder energierijk maken door b.v. een zuivering, die een vetgehalte heeft van 3% toe te voegen. Ik zal dus steeds rekening moeten houden met het aantal vlieguren van de duif tijdens de komende vlucht. Voor zware vluchten is 9% te weinig bij een voorbereiding van 1 week. Voer ik echter 20 gram pinda’s extra, kan de duif zomaar 3 uur langer vliegen. Voert u per duif b.v. 60 gram zuivering met 3%vet + 130 gram vliegvoer met 6% vet + 10 gram snoepzaad met 15% vet (totaal 11,1gram), dan zullen de duiven op de zwaardere midfond vluchten sneuvelen. Hoe kom ik aan die informatie en hoe kom ik er achter hoe vetrijk mijn voersoorten zijn zult u zich nu terecht afvragen. U kunt bijgevoegd exelbestand “gehaltes duivenvoeders” downloaden. U vult de samenstelling van uw voer in en u ziet direct het vet-, eiwit- en koolhydraat-gehalte, de omzetbare energie en het ruwvezel gehalte voor u op het scherm. (Dit zijn gehaltes voor postduiven). Een goed weduwschapvoer heeft een hoog vetgehalte, een hoge omzetbare energie en een relatief laag peulvruchtgehalte. Staat de samenstelling niet op de zak, dan is deze vast wel te vinden in de folder van de fabrikant. Veel teveel brandstof tanken is ook onverstandig. De vetdepots raken op den duur overvol en de duif zal vorm verliezen. Ook moet de duif dit overtollig vet steeds meenemen. De zwaartekracht bepaalt mede de benodigde vleugelslagen om de duif in de lucht te houden.
Schumacher zal het wel uit zijn hoofd halen om voor de laatste 10 rondes van een Formule I race zijn auto nog even vol te tanken. Dan wordt de auto te zwaar en te langzaam en verlies je kostbare secondes. Te weinig brandstof meenemen zal catastrofale gevolgen kunnen hebben voor uw duiven. De meeste fouten maken wij liefhebbers, niet onze duiven!
Als alle energie op is inclusief de reserves, zal een duif die op karakter door wil vliegen zijn of haar eiwit opbouwstoffen omzetten in brandstof. Dit gaat gepaard met enorme krampen. De duif “verbrandt” als het ware zijn eigen lichaamsgewicht en spieren. Deze duiven zullen meestal nooit meer dezelfde prestaties als voorheen neer kunnen zetten. Voor korte vitesse vluchten zijn koolhydraten (glycogeen) veel belangrijker dan voor de fondspelers. Tijdens de verbranding van glycogeen en “lichte bloedvetten” kan de duif een hogere snelheid bereiken blijkt uit de testen. Een en ander kunt u zien in onderstaand schema. In dit voorbeeld bereikt de duif gedurende het eerste uur een snelheid van 100 km per uur. Daarna valt de snelheid terug naar +/- 85 km. Dit is de snelheid tijdens vetverbranding. Uit een ander onderzoek naar de werking van carnitine kwam naar voren, dat duiven rond de 400 km een terugval krijgen door verzuring in de spieren. Populair gezegd: “de man met de hamer komt voorbij”. Na enige tijd weten de duiven zich weer wat te herstellen en kunnen een redelijk gelijkmatig tempo vasthouden. De laatste kilometers blijven het zwaarst zoals u ziet. Uit de volgende grafiek blijkt, hoe belangrijk koolhydraten zijn voor korte vluchten. Tien minuten langer vliegen op voeding uit koolhydraten betekent een voorsprong van 2½ km. Deze voorsprong is op de vitesse niet meer in te halen. Natuurlijk is dit alles theorie. Duiven zijn geen paarden die een aantal rondjes over een vast parkoers moeten lopen. Ze zijn (nog) niet te volgen. Er kan onderweg veel gebeuren. Een optimale oriëntatie speelt een grote rol, de lossingen, de wind, noem maar op. Maar toch…..Als we bij vluchten tot 250 – 300 km het glycogeengehalte en de z.g. bloedvetten kunnen verhogen, is dit zeker de moeite waard. Op langere vluchten draait het veel meer om vetverbranding. Duiven kunnen anders dan
b.v. wielrenners in de “tour de France” niet eten onderweg, althans: dat willen we voorkomen. Ze kunnen dan geen glyco-geen meer tot zich nemen en zijn aangewezen op hun lichaamsreserves.
Naast brandstof heeft de duif ook zuurstof nodig. Spieren kunnen zonder zuurstof niet functioneren. De duif dient te beschikken over voldoende rode bloedlichaampjes, die deze zuurstofvoor-ziening verzorgen.
Metingen bij trekvogels hebben ook uitgewezen dat er eiwitten worden “verbruikt” tijdens de trek. Des te zwaarder de vluchten, des te meer eiwitten worden aangesproken. U kunt het vergelijken met uw auto. Gaat u even naar de winkel om een boodschap te doen, dan zult u bij thuiskomst niet direct het oliepeil van uw auto controleren. Rijdt u met uw caravan, bepakt en bezakt over de bergen naar Zwitserland, dan is het eerste wat u doet als u op de camping aankomt: motorkap los, olie controleren. Deze verbruikte eiwitten moeten worden uitgescheden door de duif en nieuwe eiwitten moeten worden aangevuld. Over de zin en onzin van eiwitten en peulvruchten spreken we later in een andere reportage.
We hebben zojuist gelezen, dat water geven tijdens transport van grote betekenis is voor de duiven.
Juist om het vochtgehalte van de duiven tijdens de duur van het transport op pijl te houden is het voer van grote waarde. Op de vluchten met 1 nacht mand wordt alleen water gegeven.
Met 2 nachten mand worden de duiven gevoerd. Dit om de stofwisseling te activeren en de lichaamswarmte op pijl te houden. Wat is dan de dagelijkse behoefte per duif per dag?
Om het lichaam warm te houden is bij normale temperaturen 50 kcal nodig. Op dit moment geven we de duiven tijdens het transport uitsluitend mais. Welke reden daar ook ten grondslag ligt. Mais bevat gemiddeld aan energie: 9% eiwit, 4,5% vet en 70% koolhydraten. Daarnaast bevat mais ook 10% tot 12% vocht, 3% as, 2,4% vezels maar dit geeft geen energie.
Kijken we naar de energie uit mais dan komen we uit op 3300 kcal. per kg. Om het lichaam op temperatuur te houden worden in eerste instantie suikers gebruikt. Gaan we rekenen: 1 gram koolhydraten bevat 4 Kilo calorieën. Dus is de dagelijkse behoefte 12,5 gram koolhydraten. Mais bevat gemiddeld 70% koolhydraten. Dus Daarnaast komt nog wat energieverbruik in de mand. We kunnen daarom uitgaan van 18 gram mais + 3 tot 5 gram voor activiteit per duif per dag. De overige Kcal. worden opgeslagen als koolhydraten in het bloed en later als brandstof in de witte spieren.
Als de duif veel eet, zal een deel in de lever worden omgezet in vetten. Dit is aangetoond in de universiteit in Guelff in Canada. Deze vetzuren komen in het bloed en worden na 36 uur opgeslagen in de rode spiervezels. Tijdens de vlucht wordt eerst de energie uit de witte spieren verbruikt. Na 10 minuten is de duif op snelheid en op hoogte en is deze brandstof opgebruikt. Daarna wordt overgegaan op de energievoorraad uit het bloed. Deze energie is nog onderweg naar de depots.
Waarom mais?
Eigenlijk is de vraag duidelijk. Duiven eten graag mais. De vraag is alleen wanneer. Komen de duiven terug van de vlucht, dan is de behoefte aan koolhydraten groot. Ze zijn immers allemaal verbruikt tijdens de vluchten. Ook aan eiwitten is behoefte, zeker op de verdere vluchten. Deze worden gebruikt om te spieren te activeren. Aan vetten is behoefte al naar gelang deze niet meer voorradig zijn.
Een duif zorgt eerst voor deze aanvullingen en zal als laatste energie “tanken”. Dat zijn koolhydraten en vooral veten (vetzuren). De laatste voedingen wordt de behoefte aan peulvruchten minimaal. De spieren zijn immers weer volop gevoed. De duif in goede vorm wordt selectiever en zal dan alleen nog behoefte hebben aan de kleine zaden.
Dan gaat hij de mand in. Na een dag is er alleen maar mais in de vervoerswagen. Dat is niet wat hij of zij zoekt. De duif laat het voer dan vaak voor wat het is. Na het eten wordt er altijd water gedronken. Het gevolg is, dat te weinig duiven voldoende water opnemen. De duiven teren op de meegekregen reserves van thuis.
Als er op de dag van lossing niet gegeten wordt en geen of te weinig water wordt gedronken, zullen de hersenfuncties verstoord zijn en daardoor het oriëntatievermogen. Nemen we daarnaast de behoefte aan water om het lichaamsgewicht op pijl te houden, dan zullen vele duiven een flinke achterstand oplopen of zelfs niet meer thuiskomen.
Hoe kunnen we dat oplossen?
Het voorstel is een mengeling te geven die de duiven erg graag lusten. Deze moet in de directe behoefte voorzien en zijn afgestemd op sportdieren die in een optimale conditie of vorm zijn ingekorfd. Het voorstel is een lichtverteerbare mengeling te maken die graag door alle duiven direct wordt opgegeten. Daarna zal er altijd worden gedronken.
Voordelen:
De duiven zullen zich beter voelen en zich uitstekend kunnen oriënteren. Daardoor zal een beter vertrek ontstaan en meer duiven zullen probleemloos de weg naar huis vinden. De liefhebber zal minder verliezen hebben en weer meer duiven kunnen inkorven. Gedurende het seizoen zullen minder duiven verloren gaan en de laatste vluchten zullen meer worden ingemand. De liefhebbers zullen beter kunnen selecteren en meer plezier beleven aan de sport.
En de voordelen voor de afdeling?
De afdeling zal in eerste instantie te maken krijgen met meer kosten voor het vervoer. Dit zal gedurende het seizoen echter ruimschoots worden ingehaald doordat er meer duiven worden ingekorfd. Zeker op de latere vluchten zal het zijn vruchten afwerpen.
Voorstel.
Het voorstel is om een test te doen met 2 mengelingen. Een voor de 2 daagse vluchten en 1 voor de 3 – 4 daagse vluchten. De laatste om de stofwisseling beter op pijl te kunnen houden.
Het voorstel is om bij te houden hoeveel duiven worden ingekorfd en deze procentueel te vergelijken met die van vorige jaren.






Geef een reactie